Nieuwe meerwaardebelasting op financiƫle activa
Vanaf 1 januari 2026 geldt een nieuwe belasting van 10% op bepaalde meerwaarden die worden gerealiseerd op een reeks financiële activa. Deze maatregel geldt niet alleen voor natuurlijke personen: behoudens enkele uitzonderingen is de belasting ook van toepassing op organisaties die onder de rechtspersonenbelasting vallen.
Waarover gaat het?
De wet van 6 april 2026 voert een nieuwe belasting in op meerwaarden op financiële activa, met uitwerking vanaf 1 januari 2026.
Het principe is als volgt: wanneer een belastingplichtige een financieel actief verkoopt tegen een hogere prijs dan de aankoopprijs, kan het positieve verschil (de meerwaarde) belast worden aan 10%.
Voorbeeld: een vzw koopt aandelen voor 20.000 euro en verkoopt die later voor 35.000 euro. De meerwaarde bedraagt 15.000 euro. Dat is het bedrag dat in aanmerking komt voor de belasting.
Deze belasting is van toepassing in het kader van:
- de personenbelasting;
- maar ook de rechtspersonenbelasting.
Dat betekent dat ook veel vzw’s, ivzw’s en stichtingen die niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, hierdoor worden getroffen.
Welke activa worden geviseerd?
Het toepassingsgebied is ruim. Onder meer de volgende activa worden geviseerd:
- aandelen (beursgenoteerd of niet-beursgenoteerd);
- obligaties;
- financiële levensverzekeringen (tak 21, tak 23, enz.);
- ETF’s (of trackers);
- cryptoactiva;
- giraal geld of elektronisch geld;
- bepaalde afgeleide financiële instrumenten (opties, futures, swaps, warrants, enz.);
- beleggingsgoud.
Daarentegen vallen bepaalde activa niet onder deze belasting, met name:
- pensioensparen;
- langetermijnsparen;
- groepsverzekeringen.
Vanaf wanneer?
Enkel de meerwaarden die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd, worden belast. Meerwaarden die vóór die datum zijn opgebouwd, blijven vrijgesteld.
Om retroactieve belasting op vroegere winsten te vermijden, neemt de wet een “foto” op 31 december 2025: als een actief al vóór 2026 werd aangehouden, wordt de waarde ervan op 31 december 2025 in principe de nieuwe referentiewaarde (men beschouwt dit dus als de aankoopwaarde) voor de berekening van de toekomstige belastbare meerwaarde.
Voorbeeld
Een vzw bezit een effectenportefeuille die werd aangekocht voor 20.000 euro.
Op 31 december 2025 is die portefeuille 32.000 euro waard.
In september 2026 verkoopt zij deze voor 45.000 euro.
De belastbare meerwaarde bedraagt niet 25.000 euro (45.000-20.000 euro), maar 13.000 euro:
45.000 euro – 32.000 euro.
De waardestijging die vóór 1 januari 2026 heeft plaatsgevonden, wordt dus niet belast.
Na toepassing van de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro bedraagt de belastbare basis nog 3.000 euro.
De verschuldigde belasting bedraagt dus 10% van 3.000 euro, namelijk 300 euro.
Kunnen minwaarden worden afgetrokken?
Minwaarden (verliezen op die financiële activa) die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd, kunnen onder bepaalde voorwaarden worden verrekend met de meerwaarden uit dezelfde belastbare periode.
Daarentegen:
- worden minwaarden van vóór 1 januari 2026 niet in aanmerking genomen;
- kunnen minwaarden niet onbeperkt naar volgende jaren worden overgedragen.
Voorbeeld
Een stichting realiseert in 2026:
- een meerwaarde van 15.000 euro op de verkoop van aandelen;
- een minwaarde van 6.000 euro op de verkoop van een beleggingsfonds.
De netto meerwaarde bedraagt dus 9.000 euro.
Aangezien deze netto meerwaarde lager blijft dan de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro, is er geen belasting verschuldigd.
Zonder rekening te houden met de minwaarde had een deel van de winst wel belast kunnen worden.
Inning van de belasting: roerende voorheffing of aangifte?
Voor particulieren kan vanaf 1 juni 2026 een inhouding aan de bron gebeuren via de bank.
Voor vzw’s en stichtingen die onder de rechtspersonenbelasting vallen, gebeurt de betaling via de aangifte in de rechtspersonenbelasting en niet via het systeem van inhouding aan de bron.
Is deze belasting van toepassing alle socialprofitsectoren?
Het politieke compromis hierover bestaat erin dat deze belasting toegepast wordt op het merendeel van de ongeveer 145.000 verenigingen die actief zijn op Belgisch grondgebied.
De enige uitzondering betreft de ongeveer 2.600 organisaties die beschikken over de erkenning om fiscale attesten voor ontvangen giften af te leveren krachtens artikel 145/33 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.